duwtje in de rug

gedachten lopen eerst nog giebelend met me mee
tot ze me verlaten
wanneer ik ergens een smal pad in sla naar rechts
de tederheid overkomt me vanzelf
in mijzelf gekeerd
larixnaalden, mos, varens, lage takken, zand
goudhaantjes met schrille piepjes
verrukken me
en rukken mij uit mij tevoorschijn

zodat ik open en volkomen kwetsbaar onverhoeds
voor Ú sta
met tranen drogend aan de bries langs mijn gezicht
mijn ziel dan en daar geboren lopend in dat levende bos
mijn misplaatste mensenvoeten in zware wandelschoenen
op Uw zachte, mosbeklede weg
ik loop en schop tegen een kastanjebolster
hef mijn gezicht om te zien naar de lucht
ver boven de bomen uit rustend op mijn ogen
en stop, leun tegen U aan
tot U mij een zetje geeft
om verder te gaan