Angulimala – drie benaderingen

Ken je het verhaal van Angulimala? Verschillende geschriften en overleveringen vertellen over hem het volgende:

[buiten de sutta’s om]

Als kind van hooggeplaatste Brahmanen, priesters aan het hof, geboren in Shravasti – één van de hoofdsteden van India zo’n 2500 jaar geleden – werd hij Ahimsaka genoemd, ‘Onschadelijk’, om de mogelijk kwalijke gevolgen van het slechte gesternte waaronder hij werd geboren tegen te gaan.
Hij bleek een pientere knaap die een vlugge geest had in een sterk en gezond lichaam. Hij kon overeenkomstig zijn geboorte en capaciteiten gaan studeren aan de plaatselijke universiteit. En ook daar leverde hij uitmuntende prestaties. Hij werd de absolute lieveling van zijn leraar.

Dit tot ongenoegen van zijn medeleerlingen wier meerdere hij veruit was, en die tegen hem begonnen te samenzweren.
In hun complotten wisten zij ook de leraar te beïnvloeden. Die begon te twijfelen aan de motieven van Ahimsaka en kreeg angst voor hem. Wat nou als Ahimsaka na zijn afstuderen zijn plaats wilde overnemen?
In die tijd was het gebruikelijk om bij het afscheid van je leraar een geschenk aan te bieden. De leraar mocht jou alles vragen. En de leraar vroeg Ahimsaka een ketting met duizend vingers van duizend verschillende mensen. Hij hoopte en verwachtte dat Ahimsaka of de opdracht zou afslaan, of bij het vergaren van al die mensenvingers gearresteerd zou worden en gestraft, misschien wel gedood.

Ahimsaka had zijn gesternte bij zijn geboorte niet mee. Bovendien werd hij achtervolgd door het karma van zijn vorige levens vol moord en doodslag.
Na initieel de opdracht voor dit geschenk een aantal malen te hebben afgewezen, ging hij er uiteindelijk toch in mee. Hij bezwoer zijn leraar die duizend vingers aan een ketting geregen te geven. En dat was het punt waarop zijn gewelddadige natuur het overnam. In plaats van te proberen de vingers te verzamelen van bijvoorbeeld dodenakkers en slagvelden, besloot hij ze zelf te gaan halen bij levende mensen. Die hij daarvoor zou doden.

En zo ging het.

[volgens de twee sutta’s in het Pali canon, die Angulimala aangaan]

Vanwege de groeiende ketting (mala) van mensenvingers (guli) die hij droeg, kreeg hij de bijnaam Angulimala, Hij die een ketting van vingers draagt. Angulimala bleek extreem gewelddadig en moordlustig. Nadat hij eerder kleinere gehuchten al volkomen had uitgemoord, leefde hij als een kluizenaar verscholen niet ver buiten Shravasti en sloeg vanuit zijn grot boven de stad keer op keer toe onder nietsvermoedende reizigers. Of die nou alleen waren of in gezelschap reisden. Er werden meerdere malen expedities op hem afgestuurd om hem gevangen te nemen of te doden, maar geen één die hem benaderde, overleefde dat. De mensen van Shravasti en in de directe omgeving leefden in grote angst en vermeden zo veel mogelijk de paden en wegen langs het bos en de berg waar Angulimala woonde en huishield.

In Shravasti had Siddharta Gautama, de Verlichte, een klooster waar hij zich met zijn gezelschap in de regentijd kon terugtrekken. Hij was inmiddels al twintig jaar een rondtrekkende asceet en een leraar.

De aanwezigheid in de buurt en de daden van Angulimala waren hem niet ontgaan.

[buiten de sutta’s om]

Op een dag gaat de moeder van Angulimala, Mantani, haar zoon zoeken. Zij heeft begrepen dat hij uit de universiteit is verdwenen en heeft het nieuws over de moordenaar bij Shravasti gekoppeld aan de verdwijning van haar zoon. Bovendien heeft zij gehoord van een ophanden zijnde strafexpeditie tegen haar zoon en zij wil hem behoeden. Zij loopt de stad uit, de beboste berg op, Angulimala tegemoet. Die ziet haar al van verre aankomen.
Ook de Boeddha neemt dit waar. Hij beseft dat Angulimala op het punt staat zijn eigen moeder te gaan vermoorden, een onbeschrijfelijke daad met karmisch afschuwelijke gevolgen. En hij projecteert zichzelf daarop tussen Mantani en haar zoon in, ondanks de bezwaren en smeekbeden van de mensen om hem heen die zijn plan doorzien en vrezen voor zijn leven.

[volgens de sutta’s]

Angulimala ziet de asceet op zijn pad verschijnen. Hij heeft nog maar één vinger nodig om de duizend aan de ketting compleet te maken en bedenkt zich niet. Hij gaat achter de monnik aan, rennend, klaar om toe te slaan.
Maar hoe hard hij ook loopt, hij haalt hem niet in. Dit tot zijn grote ongenoegen. Na een poos proberen, roept hij in frustratie uit “Stoppen, monnik! Stop!” En de Boeddha reageert onbewogen terwijl hij doorloopt “Angulimala, ik ben al lang geleden gestopt. Jij bent het die moet stoppen.”

De eerste benadering – het open einde van Zen:

Dit is het punt waar de Zen-traditie het verhaal waarschijnlijk zou laten eindigen. Aan jezelf om te onderzoeken waarom de hardlopende Angulimala de wandelende Boeddha niet kon bereiken. Onderzoeken wie of wat er is gestopt volgens de Boeddha of nog moet stoppen in het geval van Angulimala.

Maar het verhaal gaat verder.

Angulimala is verbaasd over de boude reactie van deze asceet. En hij bevraagt hem. De Boeddha legt uit dat hij zelf, de Tathagata -de zo-gekomen-zo-gegane-, lang geleden is gestopt met schadelijk handelen. Het anderen pijnigen en zelfs doden. Maar dat Angulimala dat nog moet leren.

Angulimala begrijpt dan dat de monnik die hij voor zich heeft, iets bijzonders is en hij vraagt hem “Ben jij de monnik die ze de Boeddha noemen, de Ontwaakte?” En de Boeddha bevestigt dat. Angulimala valt dan op zijn knieën, bezweert dat hij nooit meer iemand zal kwetsen, laat staan doden, en smeekt de Boeddha om zijn volgeling en leerling te mogen zijn. “Sta op, Bhikkhu (dat is Monnik).” antwoordt de Boeddha, “en volg mij.”

De tweede benadering – de christelijke genade:

En het is aannemelijk dat hier het christelijke verhaal zou stoppen, vergelijkbaar met de parabel van de verloren zoon. De moordenaar tot inzicht gekomen en in genade aangenomen; onverdiende barmhartigheid en vergeving, waarop je toch mag vertrouwen. Zoals ook de ene misdadiger door zijn geloof aan het kruis gebeurde op Goede Vrijdag. En wat Koning David in psalm 51 schuldbewust bezingt. En wat miljoenen mensen dagelijks bidden in het Onze Vader ‘… en vergeef ons onze schulden …’.

Maar, het boeddhistische verhaal gaat verder. Het boeddhisme kent vergeving en genade en barmhartigheid niet in deze, christelijke, betekenis. Wijsheid en compassie gaan over iets heel anders. In het boeddhisme moet je het zelf doen en je zult niet door genade kunnen worden onttrokken aan de wet van oorzaak en gevolg, noch behoed voor hellen, hemels of wedergeboortes.

[volgens de sutta’s]

Koning Pasenadi die nog niet had gehoord van de bekering van Angulimala, bezoekt voorafgaande aan een strafexpeditie tegen de moordenaar, de Boeddha voor wie hij groot respect heeft. De Boeddha ziet de koning aan en zijn gevolg en de zware wapenuitrustingen die zij meedragen, en vraagt zich af tegen wie Pasenadi ten strijde trekt. Als hij begrijpt dat het om Angulimala gaat, toont hij Angulimala als asceet en zijn volgeling zoals die slechts enkele voeten van hen verwijderd zit. De koning begrijpt dat er iets belangrijks is gebeurd en blaast de hele strafexpeditie af.

Maar niet iedereen die getroffen is door het leed dat Angulimala, inmiddels omgedoopt tot Mantaniputta, heeft veroorzaakt, is zo vanzelfsprekend vergevingsgezind! Mantaniputta krijgt tijdens zijn bedelrondes heel wat te verduren. Stokken en stenen worden er naar hem gegooid en hij raakt meermaals gewond. Zijn mantels scheuren en zijn bedelnap breekt in stukken. Hij krijgt geen donaties en offerandes.
De Boeddha weet hem echter gerust te stellen en vertelt hem dat hij dit gelijkmoedig dient te doorstaan. Want al is zijn geest gezuiverd, zijn lichaam is onderworpen aan de wetten van karma, oorzaak-en-gevolg, wederkerig ontstaan en wedergeboorte. Die wetmatigheid ontloopt niemand. De Boeddha kent Mantaniputta uit eerdere levens. Hun paden zijn al eerder gekruist. Hij weet welk een pijn Mantaniputta heeft aangericht nog voor zijn geboorte in de huidige tijd.
“Door tijdens dit leven al de gevolgen te ondervinden van je handelen, voorkom je wellicht een duizendvoudige straf in de verschillende hellen,” houdt de Boeddha hem voor. Mantaniputta accepteert dit onderricht van de Boeddha.

Ergens in zijn bedelrondes ontmoet Mantaniputta dan een vrouw in barensnood. Hij wordt zo diep geraakt. Op een manier die voor hem ongekend is. Hij spoedt zich terug naar de Boeddha en wil van hem weten wat hij kan doen om die vrouw te helpen. De Boeddha geeft hem een formule om te delen met de vrouw: “Zuster, ik heb geen enkele herinnering aan het opzettelijk doden van levende wezens, sinds mijn geboorte. Mogen u en uw kind door deze waarheid gezegend zijn en leven.” Mantaniputta protesteert bij de Boeddha, dat dat in zijn geval een leugen zou zijn, waarop de Boeddha de formulering wijzigt in “Zuster, ik heb geen enkele herinnering aan het opzettelijk doden van levende wezens, sinds mijn geboorte als edele geboorte. Mogen u en uw kind door deze waarheid gezegend zijn en leven.” De Boeddha doelt daarbij op de vrije keuze die Mantaniputta heeft gemaakt om te leven als monnik. En daarmee een soort wedergeboorte door maakte.
Mantaniputta spoedt zich naar de vrouw en herhaalt Boeddha’s woorden. Het kind wordt daarop in gezondheid geboren en de moeder knapt snel op. Mantaniputta wordt sinds dat moment wel gezien als beschermer van moeders en hun nog ongeboren vrucht. Levenbrengend in plaats van nemend.

[buiten de sutta’s]

Op enig moment wordt Mantaniputta weer herkend als Angulimala, en opgejaagd en omringd. De menigte weet niet goed wat te doen met Angulimala ingesloten in hun midden. Er was indertijd een stilzwijgende overeenkomst dat de mensen van de wereld zich niet bemoeiden met asceten en zeker niet met de monniken in de Boeddha’s gevolg.
Maar daar stonden ze dan. De mensen die dierbaren hadden verloren in Angulimala’s handen en diezelfde moordenaar nu in hun midden. Mantaniputta ervoer in dat moment de waarheid van de wet van oorzaak en gevolg en stemde in met wat er te gebeuren stond. De menigte sloeg daarop ongenadig op hem in. Slaan, schoppen, stokken, stenen en touwen gebruikend. Ze lieten hem voor dood achter in het stof van de straat en in zijn eigen bloed en slijm.

Mantaniputta overleefde dit. Maar hij herstelde er nooit meer helemaal van. Hij bleef kreupel en bijna blind en hulpbehoevend achter met een lichaam dat alle tijd pijn deed.

[volgens de sutta’s]

Mantaniputta blijft Boeddha’s leerling en wordt niet heel oud. Volgens de formele teksten uit de Pali canon leeft hij maar kort als monnik, nog geen paar jaar. De monniken in het gevolg van de Boeddha zijn na zijn sterven benieuwd naar hoe het Mantaniputta zal vergaan. Tot hun verrassing vertelt de Boeddha hen dat Mantaniputta een arahant is geworden nog in dit leven. Hij is Verlicht en overgegaan naar het Nirvana, onttrokken aan de eindeloze cyclus van geboorte en wedergeboorte.

 

De derde benadering – Het Nirvana en Samsara van het boeddhisme:

Uiteindelijk is dus ook in het Boeddhisme zelfs een schurk als Angulimala in staat Bevrijding van het begin- en eindeloze wiel van wedergeboorte te bereiken. Maar alleen en uitsluitend op eigen kracht. En zonder los te kunnen raken van karma en de wet van oorzaak en gevolg, wat mede leidt tot eigenrichting omdat de mensen mogen blijven oordelen en veroordelen.

 

Wat vertelt jouw hart jou? Moet jij het helemaal alleen doen? Of is er nog iets anders? Iets waar je op mag vertrouwen, waar je je zonder twijfel aan kunt overgeven, iets waar je niet uit kunt vallen – Lathouwers parafraserend?