Het bootje

Toen ik begon met mediteren, was dat om heel instrumentele redenen. Mediteren moest mij rust brengen. Goed slapen. Een lagere bloeddruk. Minder last van stress. Mediteren was als een bootje. Met roeiriemen, een roer, een klein zeil. Ik wist zeker dat als ik leerde hoe het te besturen, ik mezelf naar rustiger oorden kon varen.

Na enige tijd merkte ik dat ik minder aandrong op specifieke ervaringen en resultaten. Ik kreeg minder verwachtingen rond mediteren en ik liet mediteren als proces meer zijn gang gaan. Alsof ik het bootje minder en minder bestuurde en meer met wind en stroming mee liet voeren.

Uiteindelijk liet ik het roer los, streek de zeilen en trok ik de riemen naar binnen. Ik keek alleen maar wat het bootje deed en greep verder niet meer in. Waar het me ook bracht, het was oké. “Hier is het ook mooi!” werd mijn adagium.

 

Ik liet het bootje zo ver los, dat ik het niet langer bemande. Ik zat niet meer in het bootje. Ik bestudeerde het nog wel, zowel van boven als van onderaf. Ik zag het gaan in een veranderend landschap, maar ik zat niet meer aan boord.

Ik liet de meditatie zijn gang gaan. Shikantaza. Het vergde oefening en vertrouwen -en eerlijkheidshalve, ik ben er nog geen kei in-. Maar met enige regelmaat is mijn observeren van een heel andere aard dan eerder. De omstandigheden van de meditatie zijn nauwelijks nog interessant. En eigenlijk is het zitten zelf ook niet langer interessant. Oordeelloos waarnemen is wat er rest. Een waarnemen waarin het mediteren lijkt te verdwijnen. Het bootje is er niet meer als object. Er is alleen nog maar een geheel van een kalm geluk.

 

Tot het merkwaardige moment waarop ik het bootje niet langer waarneem, noch de omstandigheden, maar plotseling het bootje ben geworden. Ik ben de meditatie geworden. Niet langer kijk ik naar mijzelf en naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, maar ik ervaar direct wat er gebeurt. In dat punt, in dat moment, ben ik extreem alert, extreem scherp. Alles werkt met mij, wordt mij, alleen maar omdat we contact hebben. Het bootje gaat zoals het gaat. Met stromingen, wind en regen. Met golven, met passagiers en goederen. Langs rotsen en kusten, tegen de stroom in de rivier terug op. En tegelijk gaat het bootje nergens heen.

 

Het bootje laat alles en iedereen zonder restricties aan boord. Het veert op en zakt weer neer in golfslag, zonder haperen, zonder aarzeling, zonder reden anders dan dat een golf nou eenmaal een bootje optilt. Golven klokken tegen de huid van de romp. Het bootje is ook dat geluid.

Het geluid van wind en regen, dat ben ik. De sensatie van de kapotte meniscus in mijn rechterknie, dat ben ik. Het gevoel van luchtstroom door mijn keel, dat ben ik. Die geur van een vleugje wierookrook, dat ben ik. Zonder dat het wierook heet. Zonder dat het adem heet. Zonder dat mijn knie pijn doet. Zonder dat ik wind en regen hoor. Ik ben mediteren, zonder dat ik mediteer. Ik mediteer en ik mediteer niet. En tegelijk mediteer ik niet langer en mediteer ik niet langer niet.
Het bootje is het enige wat er nog toe doet. Dat kleine bootje, de wereld.